Omschakelen naar ­biologisch blijft in trek

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

DLV Advies hield tijdens de Bio-beurs vorige maand een workshop over de bedrijfseconomische ­perspectieven van de biologische ­melkveehouderij. ­Omdat de markt ruimte biedt, was er veel ­belangstelling voor de ­bijeenkomst. Melkveehouders blijven zoeken naar nieuwe ­mogelijkheden. Omschakelen naar biologisch blijft daarbij in trek.

 

Tekst: Ria Besseling

De verwachting is dat de biologische melkprijs de komende jaren vrij stabiel blijft.

Het fosfaatreductieplan van drie jaar geleden dwong melkveehouders om te zoeken naar nieuwe verdienmodellen voor de toekomst. Omschakelen naar biologische bedrijfsvoering blijft sindsdien in trek in de sector, vertellen Edith Finke van DLV Rundvee Advies en Kees Water van Ekopart tijdens hun workshop onlangs op de Bio-beurs.

Biologisch: groei zet door 

Op dit moment gaat ook de biologische zuivelsector weer mee in de trend naar biologische voeding. Dat was tot voor kort namelijk niet het geval. In 2018 stagneerde de groei na een aanvankelijke uitbreiding van het aantal biologische melkveebedrijven. Daarvan zijn er inmiddels circa vijfhonderd in Nederland. 

“Twee jaar geleden was er een enorme groei, nadat het aantal biologische bedrijven een aantal jaren vrij stabiel was gebleven. Deze extra melk is in het najaar van 2018 op de markt gekomen. De groei zal zich dit jaar ook doorzetten, maar niet in zulke grote aantallen”, verwacht Edith Finke, adviseur rundvee bij DLV Advies. 

Stabiele melkprijs 

De uitbreiding van het aantal bedrijven zal geen invloed hebben op de uitbetaalde biologische melkprijs, verwacht de adviseur. Deze bleef stabiel met in 2017 en 2018 respectievelijk 47 en 49 cent per kg melk. “Het prijsverschil tussen gangbaar en biologisch is sinds 2012 11 à 12 cent per liter melk”, ziet Kees Water van Ekopart. De verwachting is dat de prijs de komende jaren vrij stabiel blijft. 

Hoe kunnen melkveehouders op de marktontwikkelingen inspelen, rekening houdend met actuele wetgeving zoals fosfaatrechten? De adviseur stelt vier modellen voor waarmee de gangbare melkveehouder kan omschakelen naar een biologische bedrijfsvoering. “Dat is allereerst uitgaan van de huidige situatie, dat wil zeggen biologisch ruwvoer in de markt aankopen en mest afzetten. Dan samenwerken met natuurorganisaties. Dit betekent dat met uitbreiding van grond de bedrijfsvoering extensiever wordt en er meer grond in beheer is. De derde optie is afbouwen van de productie ofwel de veestapel afstemmen op het aantal hectaren grond en tot slot samenwerken met biologische akkerbouwbedrijven. De akkerbouwer teelt gras en klaver of andere voedergewassen en neemt de mest van de melkveehouder af.”

Al zal de kersverse biologische melkveehouder minder last van prijsschommelingen hebben, alleen de focus op de melkprijs houden is niet reëel. Finke: “Biologisch krachtvoer vormt een forse kostenpost en aankoop van ruwvoer is duur. Aankoop van snijmais is niet altijd mogelijk; de prijs ligt doorgaans op € 95 per ton.”

Gemotiveerd omschakelen 

 “Als boeren willen omschakelen naar biologisch, dan moeten zij dit gemotiveerd doen”, stelt Finke. “Het bedrijf moet voldoende extensief zijn of een samenwerking kunnen aangaan met een biologische akkerbouwer in de regio. Als een boer voldoende fosfaatrechten heeft, zou hij fosfaatrechten kunnen verkopen en minder koeien kunnen gaan melken, maar dit is niet voor elk bedrijf een optie.” 

Over de mogelijkheden die het toekomstscenario voor bestaande biologische bedrijven geeft, zegt de adviseur dat de meeste bedrijven ook verder zullen optimaliseren. “Dit kan op verschillende manieren. Zorgen voor een goede kwaliteit ruwvoer blijft een belangrijk punt om voldoende melk af te leveren. Ook wanneer ondernemers wat meer grond tot hun beschikking krijgen en niet meer koeien willen gaan houden is het advies om eens te gaan kijken of het ook anders kan.”

“Een andere overweging is het bedrijf verder ontwikkelen richting duurzaamheid, dierwelzijn en biodiversiteit. Er kan prima worden geboerd zonder kunstmest en chemische gewasbeschermingsmiddelen, maar dat betekent wel een andere bedrijfsopzet”, is haar conclusie. 

"De drie pijlers uitgesteld maaien, kruidenrijk en plasdras plus organisatie op voldoende schaalniveau, dus 100 hectare of meer, kunnen weidevogelbeheer tot een succes maken."

Bij 10.000 tot 13.000 kilo melk per hectare ontstaan er voor gangbare melkveehouders goede economische perspectieven voor omschakeling. “Maar als een melkveehouder te intensief onderneemt kan hij ook kijken of er mogelijkheden zijn om natuurgronden bij het bedrijf te betrekken of nagaan of er een structurele samenwerking mogelijk is met een akkerbouwer. Gras en klaver van maaiweiden is prachtig voer waar koeien goed melk van kunnen geven en de akkerbouwer hier weer mooie mest voor terugkrijgt.”

Natuurlijke kringloop 

Melkveehouder Peter Oosterhof besprak als koploper in biodiversiteit in een workshop zijn aanpak gericht op kringloop, maximale weidegang en brede mengsels die hij sinds vorig jaar in een biologische bedrijfsvoering hanteert.

Zijn ambitie: gezonde voeding produceren in een zo natuurlijk mogelijke omgeving door zo veel mogelijk de bestaande natuurlijke kringloop te benutten. Op termijn moet hier een systeem uit voortkomen dat meer CO2 vastlegt dan uitstoot, zo legde hij uit. Door deze andere manier van boeren heeft de melkveehouder in Foxwolde het gevoel het stuur weer meer zelf in handen te hebben in plaats van het ‘kopen’ van oplossingen. “Ik ben weer meer boer. Vroeger was ik een verdienmodel, nu heb ik een verdienmodel. Meer met minder en ook nog eens heel toekomstbestendig”, stelt hij. 

Bodem als basis

De werkwijze op het bedrijf van Oosterhof begint bij een goed functionerende bodem. Dit betekent geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest, mest bodemvriendelijk uitrijden ofwel bovengronds, in kleine porties en bij regenachtig weer. Er is minder ammoniakuitstoot en minder belasting van het bodemleven. 

Met maximaal weidegang, 250 dagen of meer met zoveel mogelijk dag en nacht weiden, wordt er minder mest uitgereden. De mest die door weidegang ontstaat, komt op een natuurlijke manier het land op. “Geen vermenging van mest met urine betekent geen uitstoot”, zegt Oosterhof. “De stikstof in de uit te rijden drijfmest is veelal organisch gebonden. Door het weiden gaat het gras zo vers mogelijk de koe in: de hoogste voederwaarde direct benut.” 

De grond op het bedrijf van Oosterhof is volledig in gebruik als grasland. “Koeien gevoerd met gras leveren gezonde melk. Er schijnt meer omega 3 in te zitten. Het grasland bestaat uit gras en klavers en kruiden zoals duizendblad, smalle weegbree en cichorei. De grassen bestaan uit Engels raaigras en uit diep wortelende grassen, zoals kropaar en rietzwenkgras. Al deze planten zorgen voor een goede wisselwerking tussen de wortels en ander micro-organismen in de bodem. Voedingsstoffen worden efficiënt vastgelegd, opgenomen of afgegeven.”

Boerennatuur

Koeien, weidevogels en wilde bijen: wat kan de melkveehouder doen voor wilde bijen en weidevogels? Melkveehouder Alex Datema in Niekerk ging tijdens de workshop in op de maatregelen die hij op zijn bedrijf toepast. De voorzitter van Boerennatuur houdt 110 koeien op 70 hectare grasland met 15 hectare weidevogelbeheer. Hij besteedt al zo’n vijftien jaar extra aandacht aan weidevogelbeheer.

Beheer en schaalniveau leiden tot succes, is zijn ervaring. “Een klein beetje uitgesteld maaien helpt niet. Er is echt beheer nodig voor weidevogels en wilde bijen op je bedrijf. De drie pijlers uitgesteld maaien, kruidenrijk en plasdras plus organisatie op voldoende schaalniveau, dus 100 hectare of meer, kunnen weidevogelbeheer tot een succes maken. Ook het gebied ofwel een open landschap is belangrijk. Als individuele boer zijn er minder kansen, je moet dit gezamenlijk uitvoeren.”

Wanneer er meer geld vrijkomt wil hij nog meer aan beheer doen. “Er is nu geen geld voor, maar dan zou ik ook de aandacht voor insecten en vlinders willen uitbreiden. De randen van de percelen op ons bedrijf, gemiddeld 2,3 hectare, zou ik dan 1 à 2 meter niet willen bemesten zodat er in het voorjaar randen met kruidenrijk grasland ontstaan.” 

Dit artikel is verschenen in ZuivelZicht 2 2020. Nog geen abonnee? Klik HIER.