Melkveehoudersvoorzitter Erwin Wunnekink: ‘De versnippering nekt ons’

‹ Terug naar overzicht

Melkveehoudersvoorzitter Erwin Wunnekink: ‘De versnippering nekt ons’

Geplaatst op:

Of het nu gaat om belangenbehartiging, melkstromen of ­innovatie: de ­melkveesector is gebaat bij meer eenheid. Dat zegt de nieuwe ­boerenvoorman Erwin Wunnekink. De voormalige voorzitter van FrieslandCampina is sinds 1 maart voorzitter van de ­vakgroep melkveehouderij van LTO. “De versnippering nekt ons.”

 

Tekst: Bert Kleiboer

Erwin Wunnekink: “Als we niet in staat zijn zelf oplossingen aan te ­dragen, dan wordt er voor ons ­besloten.” (Foto’s Ingrid Sweers)

Melkveehouder en bestuurder Erwin Wunnekink (51) heeft een gangbaar melkveebedrijf in Haarlo, in de Gelderse Achterhoek. Hij was twaalf jaar actief bij coöperatie FrieslandCampina. Na een periode van vier jaar als vicevoorzitter werd hij in 2021 tussentijds benoemd als voorzitter. Dat gebeurde in een turbulente tijd. De onderneming bevond zich in zwaar weer en er speelden discussies over de bestuursstructuur en de financiering. Bovendien was de melkveehouderij van het fosfaatprobleem in de stikstofcrisis beland. 

Andere rol voor Erwin Wunnekink

Wunnekink baarde opzien door in september, al na drie maanden, op te stappen. Onenigheid en polarisatie tussen de leden werkten in zijn ogen verlammend voor de slagvaardigheid van de coöperatie. Door zijn positie beschikbaar te stellen, wilde hij een statement maken. 

Amper een halfjaar later, per 1 maart, is hij begonnen in een andere bestuursrol, als voorzitter van de vakgroep melkveehouderij van LTO Nederland. Reden voor een interview over zijn visie op de zuivelsector vanuit zijn nieuwe rol als belangenbehartiger van boeren. 

Gaat het u als LTO-bestuurder wel lukken om de verdeeldheid te doorbreken?
“Terechte vraag; die heb ik mezelf ook gesteld. Het verschil is: in de rol waarin ik nu zit, kan ik veel vrijer het boerenbelang vertolken. Nu hoef ik niet meer te schipperen tussen het belang van de onderneming en het belang van de coöperatie. 

Of het nu wel lukt zal moeten blijken. Ik vind het wel belangrijker dan ooit. We hebben op dit moment als boerenstand geen eenduidig verhaal. Verdeeldheid zet ons op achterstand. Andere partijen kunnen er misbruik van maken. We hebben te maken met maatschappelijke druk en als we niet in staat zijn zelf oplossingen aan te dragen, dan wordt er voor ons besloten. We zijn al een beetje in die situatie beland.”

Zijn de hardliners en de constructieve stroming te verenigen?
“Beide kanten zijn waardevol. Je hebt acties nodig om de problemen van de melkveehouders voor het voetlicht te brengen. Alleen je moet op een gegeven moment ook tot een oplossingsrichting komen. Waar ik moeite mee heb, is de polarisering en de angstcultuur die daaruit ontstaat. Er is de categorie die helemaal niets wil. Dat is niet mijn stijl; dan zet je je af tegen de maatschappelijke werkelijkheid. 

Ik ben geen activist. Ik vind dat je goed moet kijken naar het doel en de middelen. De doelen waarmee we te maken hebben komen voort uit Europese wetgeving. Die staan voor mij niet ter discussie. Alleen met de Nederlandse vertaling in het stikstofbeleid, in de kritische depositiewaarde (KDW), lopen we compleet vast. Ik vind dat de hardliners daar terecht de vinger op hebben gelegd. Zij zeggen: we moeten van die KDW af en ons richten op het meten van de daadwerkelijke emissies. Daar is LTO – en ikzelf ook – een enorme voorstander van.”

Is stikstof bepalend voor de toekomst?
“Dat stikstofprobleem lijkt nu allesbepalend. Dat moeten we oplossen en dat gáát ook opgelost worden. Dat geloof ik oprecht. Maar het zal niet gemakkelijk worden en in een aantal probleemgebieden zullen harde politieke keuzes gemaakt moeten worden. 

In de huidige maatschappelijke werkelijkheid spelen meer issues, zoals natuur, woningbouw, voedselvoorziening en het verkeers- en vervoersvraagstuk. Als grondgebonden sector hebben we daarmee te maken. Daar ontkomen we niet aan. 

Je kijkt daarbij natuurlijk naar het belang van de huidige veehouders, maar ik vind ook dat we moeten kijken naar de toekomst van de volgende generatie. Het gaat om de volhoudbaarheid van het systeem.

Er zijn vier grote thema’s, die de komende jaren belangrijk worden. Dat zijn bodem, water, klimaat en biodiversiteit. Vooral het vinden van een goede mix is verrekte lastig. Daar heb ik de oplossing ook nog niet voor. Ik vraag me zelfs af of we met z’n allen wel voldoende overzicht hebben. Er zijn niet zoveel mensen die die integraliteit kunnen overzien, in de sector niet en ook niet bij het ministerie. Dat vind ik echt een punt van zorg.”

De politiek roept om krimp… 
“Dat is beslist niet in het belang van de sector. We hebben een kritische massa nodig. Schaalgrootte is belangrijk voor onderzoek en innovatie, en voor het verdienvermogen. Maar laten we ook gewoon eerlijk zijn. Je weet gewoon dat de capaciteit uit de markt genomen wordt. Er komt een opkoopregeling aan, er worden rechten afgeroomd. Dat heeft impact op de veestapel. En dat gebeurt ook in de landen om ons heen.

Je kunt sowieso een krimp verwachten, maar ik zal me er voor inspannen dat die zo klein mogelijk is. Kijk eens wat we kunnen doen aan terugdringen van broeikasgassen. Er staan al een paar innovaties klaar. Laten we daar gewoon op doorinnoveren.”

Erwin Wunnekink: “We hebben weliswaar de ­melkrobot ­uitgevonden, maar eigenlijk werken we nog steeds met hetzelfde ­stalsysteem als veertig of ­vijftig jaar geleden.”

Waar liggen de marktkansen?
“Ik denk dat er verschillende richtingen naast elkaar kunnen bestaan. Ik zie mogelijkheden voor extensieve boeren die betaald worden voor groene en blauwe diensten, voor de ambachtelijke bedrijven die hun product lokaal afzetten en voor efficiënte melkveehouders die melk produceren om onze exportpositie veilig te stellen. Die laatste groep zal het grootst blijven. Daarbij krijgen we natuurlijk wel de vraag hoe we daarin de milieu- en duurzaamheidseisen die de markt vraagt, gaan doorvertalen. 

Bijzondere melkstromen als PlanetProof bieden daarvoor mogelijkheden, maar die zijn wel sterk geschoeid op een Nederlandse leest. Dat is voor ons exportmodel wel lastig. Neem het Beter Leven keurmerk, dat wijkt af van het Duitse Tierartgerechte Haltung. Voor een level playing field zou ik graag meer afstemming op Europees niveau willen.”

Moeten we niet naar onderscheidende producten?
“Natuurlijk blijft er ruimte voor onderscheidende producten. Maar in de huidige markt nog een compleet nieuw kaasmerk bouwen? Ik denk dat het heel lastig wordt. Ook in Italië, met zijn mooie kazen van beschermde oorsprong, lopen ze tegen grenzen aan. 

De grote groei zit in andere delen van de wereld, op markten die om bulkproducten vragen. Waarom zouden we ons daar niet op richten? In Nederland hebben we een superefficiënt verwerkingsproces, met grote fabrieken die de meeste melk in een cirkel van 50 kilometer kunnen ophalen. We kunnen er heel ingewikkeld over doen, maar onze kracht zit ook in de efficiënte productie en infrastructuur. Die is uniek in de wereld.

Dan zie ik meer mogelijkheden in ingrediënten voor bijzondere voedingsmiddelen of medicinale toepassingen. Maar goed, ik ben geen zuivelman meer, ik moet daar niet te veel over willen zeggen.” 

Wat gaan we merken van LTO met de nieuwe melkveehoudersvoorman?
“We moeten eerst het stikstofvraagstuk in goede banen leiden. Daar ontkom ik niet aan. Daarnaast, als het aan mij ligt, gaan we innovatie weer hoog op de agenda zetten. Ik wil me hard maken voor het organiseren van radicale innovatie.

In de melkveehouderij gaan we uit van het soort bedrijf zoals we dat al decennia runnen. We hebben weliswaar de melkrobot uitgevonden, maar eigenlijk werken we nog steeds met hetzelfde stalsysteem als veertig of vijftig jaar geleden. We hebben nu bepaalde innovaties om de emissies af te vangen, en dat is ook heel goed als tijdelijke oplossing, maar ik vind dat we ons moeten bezinnen of de systemen van vandaag nog passen in het verdienmodel van de toekomst. 

In 2012-2013 wisten we waar we naar toe wilden, met de Duurzame Zuivelketen. Het is tijd om opnieuw vast te stellen wat de topics van de toekomst zijn. Daarvoor kan Duurzame Zuivelketen of ZuivelNL opnieuw een vehikel zijn. Destijds was het een horizontale samenwerking binnen de zuivelsector. Ik vind dat we ons nu meer verticaal in de keten moeten oriënteren. Niet alleen zuivelbedrijven, ook de voerleverancier, de veredelaars van voedergewassen, de staltechniek, enzovoort. Er zijn heel veel slimme mensen, we hebben goede bedrijven in de keten, er zijn allerlei kwartiermakers en uitvoerders actief. Maar het is zó versnipperd allemaal. Het is in innovatie net als in de belangenbehartiging: die versnippering nekt ons. Als we gezamenlijk de politiek kunnen overtuigen van de kracht van innovatie, gaan we enorme stappen maken.”